Amsterdam Mirakelstad
Amsterdam, september 2018
5VV
Stichting  DE  HEILIGE  STEDE
Apokalyps 5:12 : “en zij riepen luid: ‘Waardig is het lam dat geslacht werd, de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, de eer en de heerlijkheid en de lof te ontvangen.” 
Topografie De stad Amsterdam ontwikkelde zich vanaf de 13e eeuw aan weerszijden van de rivier de Amstel en vormde respectievelijk de wijken Oude (oost) en Nieuwe (west) Zijde. In de Oude Zijde stond de St. Nicolaaskerk, de parochiekerk van de stad, en na 1400 kwam daar de Nieuwe of Catharinakerk aan de Nieuwe Zijde bij. Het mirakel zou zijn gebeurd in een huis dat stond aan de Kalverstraat, bijna op de hoek met de Wijde Kapelsteeg aan de Nieuwe Zijde. Reeds in 1346 werd begonnen met de bouw van een kapel op de plaats van of naast het huis waar het sacramentswonder was geschied. In oktober 1347 werd deze kapel ingezegend. De kapel brandde bij de stadsbrand van 13 april 1421 geheel af. De herbouwde kapel brandde op 25 mei 1452 bij een nieuwe stadsbrand gedeeltelijk af. De 'derde kapel' was in ieder geval in 1456 weer in gebruik en werd in 1457 uitgebreid. De kapel nam toen al vrijwel de gehele ruimte tussen Kalverstraat, Rokin, Wijde Kapelsteeg en Enge Kapelsteeg in beslag. Het is het kerkgebouw, toen reeds 'Heilige Stede' genaamd, dat tot 1908 vrijwel onveranderd op die locatie heeft gestaan. De Heilige Stede was een hallenkerk met drie schepen van gelijke hoogte die in de west-oost richting waren gebouwd. Aan de westzijde, parallel met de Kalverstraat, lag het dwarsschip. Aan de noordzijde liep het transept door tot aan de plaats waar het mirakel had plaatsgevonden. Er was daar een min of meer separate kapel met een aparte toegang voor pelgrims die vanuit de Wijde Kapelsteeg binnenkwamen. In deze uitbouw vormde de 'heilige hoek' de plaats waar naar verluidt de oude mirakelhaard was ingebouwd. Er stond een speciaal sacramentsaltaar dat door middel van een hek van de bedevaartgangers was afgeschermd. Onduidelijk is of de oorspronkelijke mirakelhaard de stadsbranden en de kapelherbouwen daadwerkelijk heeft doorstaan. In ieder geval kreeg kapelmeester Gerrit Doodtshoofd in 1624 nog de opdracht de mirakelhaard 'gemaakt van roode steenen en boven den haart [...] een klijn schoorstientje tegen een pilaar aen' weg te breken. De Heilige Stede werd vlak na de alteratie op 29 mei 1578 gestormd en is kort daarna voor de katholieke eredienst gesloten om voor de gereformeerden als gebedshuis, spoedig ook Nieuwe Zijdskapel genoemd, dienst te doen, tot aan de sloop in 1908 (zie ‘Bouwvallige Heilige Stede moest verdwijnen’). Na de sluiting van de kapel in 1578 werden de (liturgische) objecten met betrekking tot het mirakel enkele jaren bij particulieren bewaard. Een huis en later de sacristie (van de oorspronkelijke Begijnhofkerk) op het nabijgelegen begijnhof functioneerden sinds het tweede kwart van de 17e eeuw als nieuwe huiskerk. In 1665 zijn de sacristie en het belendende pand tot een grotere schuilkerk omgebouwd. Daar vond de mirakelverering een nieuw onderdak. De sacrale stadtopografie werd en wordt bepaald door de locatie van de heilige plaatsen (de oude en de nieuwe Heilige Stede) en de route van de middeleeuwse sacramentsprocessie, de latere heimelijke ommegangen en de 19e/20e-eeuwse Stille Omgangen. Over deze route en de Heiligeweg, zie hieronder bij Verering. Bouwvallige Heilige Stede moest verdwijnen (Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman, Mei 2011) 10 juli 1908 Op 10 juli 1908 zetten de slopers van de Gebroeders A. en B. Slier de moker in de Nieuwezijdskapel op het Rokin. Het monumentale gebouw dateerde uit de 15de eeuw en was de opvolger van de Kapel ter Heilige Stede. De door brand verwoeste bedevaartskapel die in de 14de eeuw was gebouwd op de plaats waar zich in 1345 het Hostiewonder of Mirakel van Amsterdam afgespeeld zou hebben. “De vraag is niet wie de moord op zijn geweten heeft, maar hij is gebeurd en wij beklagen hem.” Die verzuchting slaakte de dichter Albert Verwey na zijn bezoek aan de half afgebroken Nieuwezijdskapel in de tweede helft van 1908. De slopers waren toen al goed op weg. Alleen wat muren stonden nog overeind en Verwey werd geraakt door de aanblik van de lucht door de latten van het pannenloze dak. De schoonheid ontroerde hem, zoals hij ook getroffen was door de resten van het bouwwerk omdat hij zich realiseerde wat zich eeuwenlang tussen de muren had afgespeeld. Toen de dichter de onttakelde Nieuwezijdskapel bezocht, was over de afbraak al veel gezegd – meestal een stuk minder poëtisch. Tien jaar eerder was het allemaal begonnen met een papier dat was aangebracht op de kapelpoort aan het Rokin. “Gesloten wegens herstelling”, stond erop. Er waren er die het meteen al niet vertrouwden. Volgens een latere getuigenis van architect C.B. Posthumus Meyjes sr. was sluiting onvermijdelijk, omdat op 18 februari 1898 ‘werking’ was opgetreden in één van de koorpilaren. Stukken zandsteen waren naar beneden gekomen en de veiligheid van de kerkgangers kon niet meer worden gegarandeerd. Helemaal onverwacht kwam dat niet. Sinds mensenheugenis zaten er scheuren in de buitenmuren, die bovendien steeds meer naar binnen of naar buiten begonnen te hellen. Alle pilaren op één na stonden uit het lood. Een eerste onderzoek naar de bouwkundige staat werd na de sluiting uitgevoerd door Posthumus Meyjes sr. en zijn vakgenoot D.A.N. Margadant. De heren kwamen op 7 april 1898 met een rapport. Ze stelden vast dat het gebouw er  beroerd aan toe was. Zonder er zelf écht in te geloven, wezen ze op de mogelijkheid van noodmaatregelen, zoals vervanging van de scheefste pilaren, de zware topgevels en het belastende pannendak. De gevaarlijk situatie zou ook dan blijven voortbestaan en eigenlijk wilden ze de verantwoordelijkheid voor zo’n restauratie niet voor hun rekening nemen. Juridisch steekspel In februari 1899 besloot de kerkenraad van de Hervormde Gemeente van Amsterdam tot sloop. Op de vrijgekomen grond zou een nieuwe kerk in combinatie met winkelpanden komen. Nog dezelfde maand besloot het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap bezwaar aan te tekenen. De heren van het genootschap beriepen zich op de historische betekenis van het gebouw. Vooraanstaande katholieken protesteerden heel wat luider. De Nieuwezijdskapel stond centraal in de jaarlijkse Stille Omgang ter herdenking van het Mirakel van Amsterdam, die in 1881 tot ergernis van sommige protestanten in ere was hersteld. Ook de gemeente Amsterdam verklaarde zich tegen afbraak en op het stadhuis werd gebroed op een plan om sloop met hulp van de rechter tegen te houden. De sfeer tussen voor- en tegenstanders was van begin af aan grimmig. Er werd gesuggereerd dat het de kerkenraad te doen was om het geld dat de bouw van winkels en de verhuur zouden opleveren. Protestanten van hun kant verweten de gemeente Amsterdam mee te werken aan het in stand houden van paapse afgoderij. De toon was gezet en het werd er niet beter op toen de kerkenraad in februari 1900 aanstalten maakte om met de sloop te beginnen. Het stadsbestuur liet het werk meteen stil leggen wegens schending van gemeente-eigendom. Er volgde een proces waarin de advocaten van het stadhuis betoogden dat in feite Amsterdam eigenaar was van de Nieuwezijdskapel en dat de kerkenraad dus helemaal niet mócht slopen. Het juridische steekspel zou zes jaar duren. De pleidooien gingen terug tot de dagen van de Alteratie van 1578, toen Amsterdam van het katholieke geloof overging op het protestantse. De bezittingen van de roomse kerk zouden volgens de Amsterdamse pleiters op dat moment aan de stad zijn toegevallen zijn en alleen ‘in gebruik’ overgedragen zijn aan de protestanten. Er waren méér argumenten, maar geen van alle vond genade bij de rechter. De uitspraak op 20 januari 1906 bevestigde de Hervormde Gemeente in haar bezitsrecht over de Nieuwezijdskapel. Laatste schermutselingen Het lot van de bouwvallige kerk was daarmee nog steeds niet bezegeld. De tegenstanders bleven onder aanvoering van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap pleiten voor restauratie en zoeken naar mogelijkheden die te financieren. De regering bemoeide zich zelfs met de zaak en ook in Den Haag werd gezocht naar geld. In de laatste fase van de schermutselingen was sprake van de mogelijkheid dat vooraanstaande katholieken de Nieuwezijdskapel voor bijna f 1.000.000,- zouden kopen. Maar dat was tegen het zere been van veel kerkenraadleden. Nog op 14 maart 1908 besloot de kerkenraad de sloop drie maanden op te schorten in afwachting van de uitkomsten van een nieuw onderzoek door architecten en andere deskundigen. Toen deze commissie na die periode nieuw uitstel vroeg om financiering te zoeken voor nog meer onderzoek, had de kerkenraad er genoeg van en mochten de slopers van de Gebroeders Slier aan de slag. Op 10 juni 1908 werd een schutting rond het complex geplaatst en precies  een maand later begon de sloop. Katholieken in stad en land waren woedend dat een heilig gebouw ten prooi viel aan vernieling. Fanatieke protestanten spraken hun voldoening uit dat dit middelpunt van paapse ‘ouwelcultus’ met de grond gelijk werd gemaakt. De heren van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap reageerden bedroefd. Één van hen was de architect A.W. Weissman, de man die in 1911 het initiatief zou nemen tot oprichting van de Bond Heemschut. “Nu de Heilige Stede gesloopt is, derft Amsterdam niet alleen een gedenkteken, dat getuige was van zijn ‘eer ende opcomen’, maar mist het ook een zijner meest karakteristieke kerkgebouwen”, schreef hij in september 1908 in Elsevier. “Het zal tot in lengte van dagen worden betreurd, dat de Heilige Stede, waaraan zulke herinneringen verbonden waren, moest verdwijnen.”.